Kies dan heden wie gij dienen zult. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen. Jozua 24:15

De instelling van de Sabbat

De zevende dag - Waarom de Schepper heeft gerust - Hoe de sabbat is gemaakt - Betekenis van het woord “geheiligd” - Het vierde gebod verwijst naar de oorsprong van de sabbat bij de schepping - Het getuigenis van de Heiland - Wanneer heeft God de zevende dag geheiligd? - De bedoeling van de Maker van de sabbat - Getuigenis van Josefus en Philo - Negatieve argumenten uit Genesis bezien - Voor de patriarchen niet moeilijk te weten dat Adam de sabbat kende.

 

Hoewel het werk van de Schepper gereed was, was de eerste week nog niet tot een einde gekomen. Elke dag werd gekenmerkt door het werk dat de Schepper op die dag had gedaan, maar de zevende dag werd op een heel andere manier gedenkwaardig. “Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende (1) dag van al het werk, dat Hij gemaakt had.” In nog krachtiger bewoording wordt geschreven: “Op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.” (2)

 

Op deze wijze werd de zevende dag de rustdag des Heren. Wat een opmerkelijk feit is dit! “De eeuwige God, de Here, de Schepper van de einden der aarde, wordt niet moede noch mat.” (3) Hij had geen behoefte aan rust; toch staat er geschreven: “Op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.” Waarom wordt er niet gewoon gezegd dat de Schepper ophield met zijn werk? Waarom nam Hij aan het einde van dat werk een rustdag? Het antwoord vinden we in het volgende vers. Hij legde de grondslag van een goddelijke instelling, het gedenkteken van zijn eigen machtige werk. “En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat Hij gemaakt had.” Het vierde gebod constateert hetzelfde feit: “Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die.” (4)

 

God zegende en heiligde de zevende dag omdat Hij daarop gerust heeft. Hij rustte dus op die dag met de bedoeling de grondslag te leggen voor het zegenen en heiligen van die dag. Dat Hij door rust verkwikt werd, of adem schepte, houdt in dat Hij zich verlustigde toen Hij de grondslag legde voor het gedenkteken van dit machtige werk. De tweede daad van de Schepper bij het instellen van dit gedenkteken was het leggen van zijn zegen op zijn rustdag. Van nu af was het de gezegende rustdag des Heren.

Een derde handeling voltooit de geheiligde instelling: de dag, die God reeds heeft gezegend, wordt nu tenslotte door Hem geheiligd. Heiligen wil zeggen “heilig maken; afzonderen voor een heilig of godsdienstig gebruik; wijden door gepaste riten; wijden aan God.” (5) De tijd waarin deze drie daden werden verricht, verdient bijzondere aandacht. Eerst rustte God. Dit gebeurde op de zevende dag, want die dag werd in rust doorgebracht. De beide andere daden vonden plaats toen de zevende dag voorbij was.

 

“God zegende de zevende dag en heiligde dien, omdat Hij daarop gerust heeft van al zijn werk.” Het was dus op de eerste dag van de tweede week dat God de zevende dag zegende en deze afzonderde voor een heilig gebruik. Het zegenen en heiligen van de zevende dag slaat dus niet alleen op de eerste zevende dag van de tijd, maar ook op de zevende dag van elke latere week, als gedachtenis aan Gods rust op die dag van het scheppingswerk. Bij het begin van de tijd begon God dagen te tellen, waarbij Hij elke dag door een rang­telwoord aanduidde. Zeven verschillende dagen kregen evenveel verschillende namen.

Als herinnering aan wat Hij op de laatste dag deed, zonderde Hij, die dag in het bijzonder en met name af voor een heilig gebruik. Door deze daad ontstonden weken, ofwel perioden van zeven dagen, want bij de zevende dag hield Hij op met tellen. Omdat God zelf gebood om die dag apart te zetten, als herinnering aan het feit dat Hijzelf gerust had op die dag, maakte Hij dat de mens met de telling van een nieuwe week begon zodra de eerste zevende dag voorbij was. Het behaagde God om aan de mens in totaal slechts zeven verschillende dagen te geven, waarbij Hij elk van deze dagen precies een plaats gaf in de week. Door het afzonderen van die ene dag ontstond de week en gaf God aan de mens de Sabbat. Daarom kan de sabbat nooit teruggebracht worden tot een onbepaalde of onzekere dag tenzij men gebruik maakt van drogredenen.

 

De dagen van de week worden afgemeten door de omwenteling van onze aarde om haar as; daarom geldt onze sabbat als zodanig voor bewoners van deze aardbol. Dus werden de dagen der week gegeven aan Adam en Eva als bewoners van deze aarde, en niet aan de bewoners van een of andere vreemde wereld. Toen God daarom een van deze dagen afzonderde voor een heilig gebruik als gedenkteken van zijn eigen rust op die dag van de week, bestond de kern van die zaak uit het feit, dat Hij Adam en Eva vertelde dat deze dag uitsluitend voor geheiligde doeleinden gebruikt mocht worden.

Adam was toen in de Hof des Heren. Hij was daar geplaatst door de Schepper om deze te onderhouden en te bewaren. Tevens kreeg hij van God de opdracht om de aarde te onderwerpen. (6) Als daarom de rustdag des Heren wekelijks zou terugkeren, moest al dit dage­lijkse werk, hoe nuttig op zichzelf ook, terzijde worden gelegd, en de dag moest worden waargenomen als aandenken aan de rust van de Schepper. Dr. Twisse citeert Maarten Luther als volgt:

“En Maarten Luther belijdt het eveneens (tome 6 in Gen.2:3). `Daaruit volgt,’ zegt hij, `dat als Adam zondeloos was gebleven, hij toch de zevende dag zou hebben geheiligd; d.i. hij zou op die dag aan zijn kinderen en kleinkinderen hebben geleerd wat de wil van God was, en waar zijn eredienst uit bestond; hij zou God hebben geprezen, Hem hebben gedankt en offers hebben gebracht. Op de andere dagen zou hij de grond hebben bewerkt en voor zijn vee hebben gezorgd.’” (7)

 

Het hebreeuwse woord “qädâsh”, hier weergegeven met “geheiligd”, wordt door Gesenius omschreven als “heilig noemen, heiligen; iets heiligs instellen, of aanwijzen.” (8) Dit woord wordt in het Oude Testament herhaaldelijk gebruikt voor een openbare bestemming of verkondiging. Toen de vrijsteden in Israël werden afgezonderd, staat er: “Zij heiligden Kedes in Galilea, op het gebergte van Naftali, en Sichem op het gebergte van Efraïm,” enz. Deze heiliging of aanwijzing van de vrijsteden werd door een openbare bekendmaking aan Israël meegedeeld; deze steden waren voor dat doel afgezonderd. Dit woord wordt ook gebruikt voor het aanwijzen van een openbaar vasten, en voor het bijeenroepen van een plechtige samenkomst, zoals in de volgende gevallen:

“Heiligt een vasten (d.i. roept een vasten uit); roept een plechtige samenkomst bijeen.” “Blaast de bazuin op Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen.” “En Jehu zeide: Bereidt een heilig feest voor ter ere van Baäl.” (9) Deze bijeenroeping voor Baäl was zo openbaar, dat alle aanbidders van Baäl in geheel Israël werden samengeroepen. Deze gelegenheden om te vasten en deze plechtige samenroepingen werden geheiligd of afgezonderd door een openbare aanduiding of bekendmaking van dit feit. Toen God daarom de zevende dag afzonderde voor een heilig gebruik, moest Hij dat feit bekendmaken aan degenen, die de weekdagen gebruikten. Zonder een dergelijke bekendmaking kon de dag niet van de andere dagen afgezonderd worden.

 

Maar de meest treffende illustratie van de betekenis van dit woord is te vinden in het verslag van het heiligen van de berg Sinaï. (10) Toen God op het punt stond om de tien geboden te spreken ten aanhoren van geheel Israël, zond Hij Mozes van de top van de berg Sinaï naar beneden om het volk te waarschuwen dat zij de berg niet moesten aanraken. “Toen zeide Mozes tot de Here: Het volk kan de berg Sinaï niet bestijgen, want Gij hebt ons gewaarschuwd: zet de berg af en heilig hem.” Als we terugkeren naar het vers waarin God dit bevel aan Mozes gaf, lezen we:

“Daarom zult gij het volk buiten een bepaalde kring houden en zeggen: Wacht u ervoor de berg te bestijgen, of maar de voet ervan aan te raken.”

Het heiligen van de berg betekende dus, dat het volk bevel kreeg zelfs niet de voet van de berg aan te raken, want God stond op het punt in majesteit op de berg neer te dalen. Anders gezegd: de berg Sinaï afzonderen voor een heilig gebruik, ofwel heiligen, wilde zeggen dat het volk te horen kreeg dat het Gods wil was dat zij de berg even heilig als God zelf zouden beschouwen. Evenzo betekende het heiligen van de rustdag des Heren voor Adam dat hij de dag als voor de Here geheiligd moest beschouwen.

De verklaring “God zegende de zevende dag en heiligde dien” is inderdaad geen gebod om die dag te vieren, maar het is in feite een verslag dat Adam zo’n gebod kreeg. (11) Want hoe kon de Schepper zijn rustdag “voor een heilig gebruik afzonderen” als degenen, die deze dag moesten gebruiken, in dit geval niets afwisten van zijn wil? Deze kijk op het bericht in Genesis, met betrekking tot de rustdag des Heren zullen wij ondersteund vinden in de hele Bijbel. De feiten die wij hebben nagegaan vormen de basis van het vierde gebod. Aldus sprak de grote Wetgever van de top van de brandende berg:

“Gedenkt de sabbatdag, dat gij dien heiligt.” “De zevende dag is de sabbat des Heren uws Gods.” “Want in zes dagen schiep de Here hemel en de aarde, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde dien.” (12)

Het woord sabbat is vertaald uit het hebreeuws en betekent rust. (13) Het gebod: “Gedenkt de sabbatdag dat gij dien heiligt” is daarom precies gelijk aan “Gedenkt de rustdag dat gij dien heiligt.” De hier­op volgende verklaring ondersteunt deze uitspraak: “De zevende dag is de sabbat des Heren uw Gods.” De oorsprong van deze rustdag vinden we in deze woorden: “Want in zes dagen schiep de Here de hemel en de aarde, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde dien.”

In het vierde gebod wordt bevolen de rustdag des Heren te heiligen. En deze wordt omschreven als de dag waarop Hij rustte van zijn scheppingswerk. Verder noemt het vierde gebod de zevende dag als de sabbatdag ten tijde dat God die dag gezegend en geheiligd heeft; daarom is de sabbat een inzetting die dateert van de grondlegging der wereld. Het vierde gebod wijst terug naar de schepping als oorsprong van deze verplichting; en als we naar dat tijdstip teruggaan, vinden we de kern van het vierde gebod dat aan Adam gegeven is: “God zegende de zevende dag en heiligde die;” d.i. zonderde die af voor een heilig gebruik.

 

In het gebod zelf wordt hetzelfde feit genoemd: “De Here zegende de sabbatdag en heiligde die;” d.i. zonderde die af voor een heilig gebruik. De ene uitspraak bevestigt dat God de zevende dag zegende en die heiligde; de andere dat de Here de sabbatdag zegende en die heiligde. Deze beide uitspraken verwijzen naar dezelfde daad. Omdat het woord “sabbat” niet voorkomt in de eerste uitspraak, wordt wel beweerd dat de sabbat niet is ontstaan bij de schepping, omdat daar alleen de zevende dag werd geheiligd. Uit de tweede uitspraak wordt opgemaakt dat God de zevende dag helemaal niet heeft gezegend, maar alleen de sabbat heeft ingesteld. Maar beide uitspraken belichamen de gehele waarheid.

God zegende de zevende dag en heiligde die; en deze dag, die aldus gezegend en geheiligd werd, was zijn heilige sabbat of rustdag. Op deze wijze bevestigt het vierde gebod de oorsprong van de sabbat bij de schepping. De tweede vermelding van de sabbat in de Bijbel levert een duidelijke bevestiging van de getuigenissen die reeds zijn aangevoerd. Toen het volk Israël in de woestijn Sin was, zei Mozes op de zesde dag tot het volk: “Een heilige sabbat is het morgen voor de Here.” (14)

 

Wat was er met de zevende dag gebeurd sedert God die als zijn rustdag in het paradijs had gezegend en geheiligd? - Niets. Wat deed Mozes met de zevende dag om deze te maken tot de heilige sabbat des Heren? - Niets. Mozes zei alleen maar op de zesde dag, dat het morgen een heilige sabbat voor de Here zou zijn. Dat was de zevende dag altijd geweest sedert God deze als zijn rustdag had gezegend en geheiligd.

Het getuigenis van onze goddelijke Heer met betrekking tot de oorsprong en de bedoeling van de sabbat is van bijzonder belang. Hij is in staat om te getuigen; want Hij was met de Vader bij het begin der schepping. (15) “De sabbat is gemaakt om de mens,” zei Hij, “niet de mens om de sabbat.” (16) Hoe wij het woord “de mens” moeten opvatten, daarvan hebben wij een aantal voorbeelden in de Schrift, bijvoorbeeld:

“Het is de mens gezet éénmaal te sterven en daarna het oordeel.” Hebr.9:27.

“De mens ligt neder en staat niet weer op tot de hemelen vergaan zijn, zal hij niet opstaan, noch uit de slaap ontwaken.”

In al deze teksten betekent “de mens” de hele mensheid. De Sabbat werd dus gemaakt voor de hele mensheid. In het Grieks zijn de woorden die de Heiland gebruikt echter nog krachtiger. “De Sabbat is gemaakt voor DE mens, niet DE mens voor de Sabbat.”

Deze bewoording vestigt de aandacht op de mens Adam, die uit het stof der aarde werd geformeerd, kort voor de sabbat van de zevende dag voor hem werd gemaakt.

 

Dit is een treffende bevestiging van het reeds genoemde feit - dat de sabbat aan Adam, het hoofd van het menselijk geslacht was gegeven... “De zevende dag is de sabbat des Heren uws Gods;” toch maakte Hij de sabbat voor de mens. “God maakte de sabbat op plechtige wijze tot zijn eigendom, om deze aan ons terug te kunnen geven met de garantie van een goddelijke akte van eigendom, opdat niemand ons deze straffeloos zou kunnen ontnemen.”

Maar zou het niet mogelijk kunnen zijn dat Gods zegening en heiliging van de zevende dag helemaal niet plaats vond aan het einde van de scheppingsweek? Zou die niet genoemd worden omdat het Gods bedoeling was dat de dag waarop Hij rustte nadien zou worden gevierd? Of zou Mozes, die lang na de schepping het boek Genesis heeft geschreven, dit verslag over de heiliging van de zevende dag hebben ingelast na het scheppingswerk van de eerste week, hoewel de dag zelf pas in zijn tijd werd geheiligd?

Zeker is dat een dergelijke verklaring van dit bericht niet aanvaardbaar is, tenzij de feiten daarom vragen; want het is op zijn zachtst uitgedrukt een verwrongen uitleg van de taal. Tenzij dit een uitzondering zou zijn, is het bericht in Genesis een eenvoudige weergave van wat er gebeurd is.

 

In volgorde van de eerste tot de zevende dag wordt weergegeven wat God op elke dag heeft gedaan. Te beweren dat het bericht over de zevende dag van een andere aard is dan dat over de overige zes dagen, doet het verhaal geweld aan. Hij rustte op de zevende dag; Hij heiligde de zevende dag omdat Hij op die dag had gerust. De reden voor de heiliging van de zevende dag ontstond toen zijn rust eindigde. Als wij daarom zeggen dat God de dag niet toen heeft geheiligd, maar dat pas in de tijd van Mozes heeft gedaan, verdraaien wij niet alleen het verhaal, maar stellen dat Hij gedurende 2500 jaar naliet om datgene te doen, waartoe de schepping aanleiding had gegeven. (17)

Wij vragen naar de feiten, die aantonen dat de sabbat in de woestijn Sin werd geheiligd, en niet reeds bij de schepping. En waar zijn die feiten? Men erkent, dat dergelijke feiten niet opgetekend staan. Men neemt ze alleen aan om de theorie te ondersteunen dat de sabbat werd ingesteld bij de mannaregen, en niet in het paradijs.

Heeft God de sabbat in de woestijn Sin geheiligd? - Voor een dergelijk feit is geen bewijs. De sabbat wordt integendeel genoemd als een dag die reeds door God was afgezonderd. Op de zesde dag zei Mozes: “Een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here.” (18) Dit is zeker geen instellen van de sabbat, maar het noemen van een reeds bestaand feit. Wij gaan verder naar de berg Sinaï. Heeft God de sabbat geheiligd toen Hij de tien geboden sprak? Niemand zal beweren dat Hij dat gedaan heeft. Iedereen erkent dat Mozes over de sabbat sprak als iets dat reeds bekend was toen hij deze de maand daarvóór noemde. (19)

 

Spreekt de Here op Sinaï over het heiligen van de sabbat? - Inderdaad; maar met dezelfde bewoording als in Genesis gaat Hij voor de heiliging van de sabbat niet terug naar de woestijn Sin, maar naar de schepping der wereld. (20)

Wij stellen hen, die bovengenoemde theorie leren, de volgende vraag: Als de sabbat niet bij de schepping, maar in de woestijn Sin werd afgezonderd, waarom wordt dan telkens (21) verwezen naar de heiliging van de sabbat bij de schepping, en wordt er niets gezegd over dat feit in de woestijn Sin? Integendeel, waarom toont de gang van zaken in de woestijn Sin aan dat de heilige sabbat toen reeds bestond? Anders gezegd, hoe kan een theorie die alle feiten in het verhaal ondermijnt, worden gehandhaafd als de waarheid van God?

Wij hebben gezien dat de sabbat door God is ingesteld aan het eind van de scheppingsweek. Het doel, dat de Maker ervan beoogde, verdient bijzondere aandacht. Waarom heeft de Schepper dit gedenkteken in het paradijs ingesteld? Waarom heeft Hij deze dag die Hij in rust had doorgebracht, afgezonderd van de andere weekdagen? Het bijbelverhaal zegt: “Omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.”

Een rust houdt noodzakelijkerwijs in dat er werk is gedaan; vandaar dat de sabbat door God is ingesteld als een gedenkteken van het scheppingswerk. Om die reden begint dat gebod van de zedenwet dat naar dit gedenkteken verwijst, anders dan elk ander gebod van die wet, met het woord “gedenkt”. We zullen het belang van dit gedenkteken beter begrijpen als wij in de Schrift lezen dat de Schepper het scheppingswerk het grote bewijs noemt van zijn eeuwige macht en Godheid, en dat Hij zich door deze daad onderscheidt van alle valse goden.

 

Er staat geschreven: “De bouwmeester van alles is God.” “De goden die de hemelen en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder deze hemelen.” “Doch de Here is de waarachtige God, Hij is de levende God en een eeuwig Koning.” “Hij maakt de aarde door zijn kracht, Hij bereidt de hemel toe door zijn wijsheid en breidt de hemelen uit door zijn verstand.” “Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien.” “Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er.” “Zo is de wereld door het woord Gods tot stand gebracht, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.” (22)

Een dergelijke waarde hecht de Schrift aan het scheppingswerk. Het bewijst de eeuwige macht en goddelijkheid van de Schepper. De sabbat staat daar als het gedenkteken van dit grote werk. De viering ervan door zijn intelligente schepselen is een daad van dankbare erkentelijkheid dat Hij hun Schepper is, en dat zij alles aan Hem te danken hebben; dat zij voor zijn welbehagen geschapen werden. Hoe gepast was deze viering voor Adam!

En hoe belangrijk was het voor het welzijn van de mens na de zondeval, de sabbat te gedenken, en die te heiligen! Door dit te doen zou hij bewaard blijven voor atheïsme en afgoderij; want hij zou nooit kunnen vergeten dat er een God is, aan wie alles en iedereen het ontstaan heeft te danken; evenmin zou hij iemand anders dan de Schepper als God kunnen aanbidden.

 

De zevende dag, zoals deze door God in het paradijs werd geheiligd, was niet joods, maar goddelijk; het was geen gedenkteken van de vlucht van Israël uit Egypte, maar van de rust van de Schepper. Evenmin is het waar, dat de voornaamste joodse schrijvers de eerste oorsprong van de sabbat loochenen, of deze dag een joods gedenkteken noemen.

Wij citeren de geschiedschrijver Josephus en zijn geleerde tijdgenoot Philo Judaeus. Als Josephus in zijn “Joodse Oudheden”, een boek dat vanaf het begin parallel loopt met de Bijbel, spreekt over de woestijn Sin, dan noemt hij de sabbat niet - een duidelijk bewijs dat hij helemaal niet veronderstelde dat deze zijn oorsprong vond in die woestijn. Maar als hij over het scheppingsverhaal spreekt, getuigt hij het volgende:

“Mozes zegt dat in precies zes dagen de wereld met al wat daarin is, werd geschapen. En dat de zevende dag een pauze was, een rust na een dergelijk werk; daarom rusten wij van ons werk op die dag, en noemen deze dag de sabbat, een woord dat in de hebreeuwse taal “rust” betekent.” (23)

En Philo getuigt nadrukkelijk van het karakter van de sabbat als een gedenkteken. Hij zegt:

“Maar nadat de hele wereld voltooid was volgens de volmaakte aard van het getal zes, heiligde de Vader de volgende dag, de zevende, loofde deze en noemde hem heilig. Want die dag is de feestdag, niet van een stad of van een land, maar van de gehele aarde; de enige dag die terecht de feestdag voor alle volken, en de verjaardag van de wereld genoemd kan worden.” (24)

 

Evenmin was de rustdag des Heren een schaduw van de menselijke rust, nadat hij zich had hersteld van de zondeval. God zal altijd op begrijpelijke wijze aanbeden worden door zijn redelijke schepselen. Als Hij daarom zijn rustdag had afgezonderd voor een heilige bestemming, als een schaduw van de verlossing der mensen van de zondeval en niet als een gedenkteken van zijn werk, dan zou de ware bedoeling van de inzetting bekend gemaakt zijn, en bijgevolg zou de mens in zijn zondeloze staat nooit de sabbat hebben kunnen vieren als ene verlustiging, maar altijd met diepe verslagenheid, omdat deze hem eraan zou herinneren dat hij spoedig van God afvallig zou worden. Evenmin was de heilige dag des Heren, die te eren is, een van de “bepalingen voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het herstel;” (25) want er kon geen herstel zijn voor zondeloze wezens.

Maar de mens bleef niet zondeloos. Het paradijs ging verloren, en Adam werd verdreven van de boom des levens. Gods vloek rustte op de aarde en door de zonde kwam de dood, die tot alle mensen is doorgegaan. (26) Na deze verdrietige afval wordt de sabbat niet eerder weer genoemd dan in de tijd van Mozes, toen deze op de zesde dag zei: “Een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here.”

 

Als tegenwerping wordt aangevoerd dat in het boek Genesis geen gebod te vinden is voor het vieren van de sabbat, en dat het bijgevolg voor de aartsvaders geen verplichting was deze te vieren. In dit argument schuilt een fout, die niet wordt opgemerkt door hen, die het gebruiken. Het boek Genesis was geen leefregel aan de hand waarvan de patriachen moesten leven. Het werd integendeel 2500 jaar na de schepping door Mozes geschreven, lang nadat de patriachen waren gestorven. Het feit dat bepaalde geboden niet in Genesis te vinden zijn, is dus geen bewijs dat ze niet bindend waren voor de patriarchen.

Zo gebiedt dat boek de mensen niet, dat ze God moeten liefhebben met geheel hun hart, en hun naaste als zichzelf. Het verbiedt ook geen afgoderij, godslastering, ongehoorzaamheid aan de ouders, diefstal, het spreken van een vals getuigenis of begeerte. Wie zou hieruit durven opmaken dat de patriarchen al deze dingen mochten doen? Het was onnodig om in dit boek, dat alleen maar het verslag was van gebeurtenissen, die lang geleden hadden plaats gevonden, een morele gedragscode naar voren te brengen. Wanneer dit boek echter aan de patriarchen als leefregel was gegeven, zou het zulk een code moeten bevatten. Het verdient de aandacht op te merken dat zodra Mozes in het boek Exodus spreekt over zijn eigen tijd, de gehele zedenwet wordt gegeven.

 

Het verhaal en het volk waren er toen gelijktijdig, en vanaf die tijd is de geschreven wet steeds in handen van Gods volk geweest als leefregel en als een volledige code van morele geboden.

Het opgeworpen argument is onjuist,

1. omdat het berust op de veronderstelling dat het boek Genesis een leefregel was voor de patriarchen;

2. omdat dit argument, als het zou worden doorgevoerd, de patriarchen zou vrijstellen van elk gebod van de zedenwet, met uitzondering van het zesde gebod; (27)

3. omdat het feit, dat God zijn rustdag afzonderde voor een heilige bestemming, zoals wij hebben gezien, dit noodzakelijkerwijze  met zich meebrengt dat Hij hierover een gebod aan Adam had gegeven, in wiens tijd deze dag was afgezonderd. Hoewel dus het boek Genesis geen gebod voor het vieren van de sabbat bevat, levert het een rechtstreeks bewijs dat een dergelijk gebod gegeven is aan het hoofd en de vertegenwoordiger van het mensdom. Na de instelling van de sabbat noemt het boek Genesis, in zijn beknopt verslag van 2370 jaar, deze dag niet meer. Men heeft dit een duidelijk bewijs genoemd van het feit dat deze heilige mensen, die in die tijd volmaakt waren, en die met God wandelden door zijn geboden, inzettingen en wetten te onderhouden, (28) allen openlijk deze dag, die God had gezegend en die Hij voor een geheiligde bestemming had afgezonderd, hebben ontheiligd. Maar het boek Genesis laat ook duidelijk heenwijzingen naar de leer van de toekomstige straf, de opstanding van het lichaam, de openbaring van de Heer met vlammend vuur, en het oordeel op de jongste dag achterwege. Betekent dit stilzwijgen dat de patriarchen deze belangrijke leerstellingen niet hebben geloofd? Maakt het ze minder geheiligd?

 

De sabbat wordt evenmin genoemd in de tijdsperiode tussen Mozes en David, een periode van 500 jaar, waarin deze op straffe des doods verplicht was gesteld. Is dat een bewijs dat deze dag in die periode niet werd gevierd? (29) Het jubeljaar nam in het ceremoniële stelsel een zeer vooraanstaande plaats in, en toch wordt de viering ervan in de hele Bijbel niet één keer genoemd. Nog merkwaardiger is, dat er geen enkel verslag bestaat in verband met de grote verzoendag, hoewel het werk in het heilige der heiligen op die dag de meest belangrijke dienst was ten aanzien van het aardse heiligdom. Daarentegen wordt de viering van andere, minder belangrijke feesten van de zevende maand, die zo nauw verbonden zijn met de grote verzoendag - de feestdag die er tien dagen aan vooraf ging en het andere feest dat vijf dagen later werd gevierd - herhaaldelijk en nadrukkelijk vermeld. (30) Het zou misleidend zijn, om uit dit zwijgen over de grote verzoendag, terwijl in zoveel gevallen het noemen ervan bijna een vereiste is, op te maken dat die dag nooit werd gevierd. Toch is dit in feite een beter argument dan de soortgelijke bewering, ingebracht tegen de sabbat uit het boek Genesis.

 

De wekelijkse kringloop is niet uit de natuur afgeleid, maar heeft zijn bestaan te danken aan het goddelijk gebod om de zevende dag te heiligen als gedenkteken van de rust des Heren na een zesdaagse schepping. (31) Deze tijdsperiode is alleen maar af te meten aan de telkens terugkerende geheiligde rustdag van de Schepper. Uit verschillende teksten blijkt duidelijk, dat de patriarchen de tijd berekenden naar weken en perioden van zeven dagen. (32) Het is onlogisch om de gevolgtrekking te maken dat zij met weken zouden rekenen en de sabbat zouden vergeten, waardoor de week wordt gekenmerkt. Uit het feit, dat het volk in de woestijn Sin uit eigen beweging op de zesde dag een dubbele hoeveelheid manna verzamelde, blijkt duidelijk, dat zij met weken rekenden. Mozes zeide tot hen: “Een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here.” (33)

 

De beknoptheid van het verslag in Genesis maakt dat wij heel wat feiten van grote betekenis over het hoofd zien. Adam leefde 930 jaar. Hoe diepgaand moet de belangstelling wel zijn geweest die omging in het menselijk geslacht bij het zien van de eerste mens! Om te spreken met iemand, die met God had gesproken! Om uit zijn mond een beschrijving te vernemen van het paradijs, waarin hij had vertoefd! Om van hem, die op de zesde dag was geschapen, de wondere gebeurtenissen van de scheppingsweek te vernemen! Om uit zijn mond dezelfde woorden te vernemen, die de Schepper had gesproken toen Hij zijn rustdag afzonderde om deze te heiligen! Maar ook het verdrietige verhaal te horen over het verlies van het paradijs en van de boom des levens! (34)

Het was daarom niet erg moeilijk om in de tijd van de patriarchen onder de mensen de feiten bekend te maken over de schepping en de heiliging van de rustdag. Het was zelfs onmogelijk dat dit niet gebeurde, vooral onder de gelovigen. Een opeenvolging van mannen - van Adam af tot Abraham toe - bewaarde, klaarblijkelijk door God geïnspireerd, de kennis aangaande Hem op aarde; want Adam leefde tot Lamech, de vader van Noach, 56 jaar was; Lamech leefde tot Sem, Noach’s zoon, 93 jaar was, en Sem leefde tot Abraham 150 jaar was. Zo komen wij tot in de tijd van Abraham, de vader der gelovigen. Van hem wordt gezegd dat hij gehoorzaam was aan de stem van God, en zijn geboden, inzettingen en wetten onderhield. Van hem getuigt de Allerhoogste: “Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen.” (35) De kennis aangaande God bleef bewaard in het geslacht van Abraham, en wij zullen vervolgens zien dat de sabbat bij zijn nakomelingen bekend was als een bestaande inzetting.

 

Klik hier voor de voetnoten.