|
Kies dan heden wie gij dienen zult. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen. Jozua 24:15 |
|
De Sabbat geschreven met Gods vinger |
|
Indeling van de geboden die Mozes gegeven heeft - De sabbat vernieuwd - Plechtige bevestiging van het verbond tussen God en Israël - Mozes geroepen om de wet, die God op steen had geschreven, in ontvangst te nemen - De tien geboden waarschijnlijk op de sabbat verkondigd - Voorvallen tijdens de 40 dagen - De sabbat wordt een teken tussen God en Israël - De doodstraf - De tafelen der getuigenis aan Mozes gegeven en verbroken, toen hij de afgoderij van het volk zag - De afgodendienaars gestraft - Mozes gaat heen om de tafelen te vernieuwen - Opnieuw de sabbat geboden - De tafelen weer gegeven - De tien geboden waren Gods getuigenis - Wie heeft ze geschreven? - Drie onderscheiden eerbewijzen die op sabbat betrekking hebben - De tien geboden een volmaakte wet - Relatie van het vierde gebod tot de verzoening - Een geldige reden waarom God zelf de wet zou schrijven, die onder het verzoendeksel geplaatst moest worden.
Toen de stem van de heilige God zweeg, “bleef het volk van verre staan, maar Mozes naderde tot de donkerheid, waarin God was”. Er volgde een kort onderhoud. (1) Toen gaf God aan Mozes een reeks voorschriften die als volgt gerangschikt kunnen worden: ceremoniële wetten, die heenwezen naar de goede dingen die komen zouden; burgerlijke wetten, bestemd voor de burgerlijke regering van het volk; en morele wetten, die opnieuw in een andere vorm de tien geboden weergaven. In dit korte onderhoud is de sabbat niet vergeten: “Zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij rusten, opdat uw rund en uw ezel uitrusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling adem scheppen.” (2) Dit schriftgedeelte bewijst terloops dat de sabbat gemaakt was voor de mens en voor die schepselen die deelden in het werk van de mensen. De vreemdelingen moesten deze dag vieren. De sabbat diende om hen te verfrissen. (3) Maar deze mensen konden niet meedoen aan het Pascha voordat zij door middel van de besnijdenis leden van de vergadering der Israëlieten waren geworden. (4)
Toen Mozes naar het volk was teruggekeerd, herhaalde hij alle woorden van de Here. Eénstemmig riep heel het volk uit: “Al de woorden die de Here gesproken heeft, zullen wij doen.” Toen schreef Mozes al de woorden des Heren op. “Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen.” “Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie het bloed van het verbond dat de Here met u sluit.” (5) Op deze wijze stond voor God de weg open om een tweede duidelijke eer aan zijn wet te verlenen. “De Here zeide tot Mozes: Klim op tot Mij, de berg op, en blijf daar, dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en het gebod, die Ik opgeschreven heb, om hen te onderwijzen... Daarop besteeg Mozes de berg, en de wolk bedekte de berg. De heerlijkheid des Heren rustte op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep Hij tot Mozes midden uit de wolk. (6) De verschijning van de heerlijkheid des Heren was als verterend vuur op de top van de berg ten aanschouwen van de Israëlieten. Mozes ging de wolk in en besteeg de berg. En hij bleef op de berg veertig dagen en veertig nachten.” (7)
In deze veertig dagen kreeg Mozes van God een voorbeeld van de ark, waarin hij de wet, die God had geschreven, moest leggen; ook van het verzoendeksel dat op de ark boven die wet zou liggen, en van het heiligdom waarin de ark geplaatst moest worden. God stelde tevens het priesterschap in, dat dienst moest doen in het heiligdom voor de ark. (8) Toen deze dingen waren geschied, en de Wetgever op het punt stond Zijn wet, die Hijzelf had geschreven, in handen van Mozes te geven, gebood Hij nogmaals de heiliging van de sabbat: “De Here zeide tot Mozes: Gij dan, spreek tot de Israëlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de Here ben, die u heilig. Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder, die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten. Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de Here geheiligd; ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden. De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altijddurend verbond. Tussen Mij en de Israëlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept. En Hij gaf aan Mozes, toen Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, de twee tafelen der getuigenis, beschreven door de vinger Gods.” (9)
Dit moeten wij vergelijken met het getuigenis van Ezechiël, die uit naam van God spreekt: “Ik gaf hun mijn inzettingen en maakte hun mijn verordeningen bekend, - de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de Here, hen heilig... Ik ben de Here uw God, wandelt naar mijn inzettingen en onderhoudt naarstig mijn verordeningen. Heilig mijn sabbatten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet dat Ik de Here uw God ben.” (10)
Let wel dat niet één van deze teksten leert dat de sabbat voor Israël werd gemaakt; ook zeggen ze niet dat de sabbat werd gemaakt nadat de Israëlieten uit Egypte kwamen. Deze aanwijzingen wekken zelfs geen schijn van tegenstrijdigheid met de teksten, die voor de inzetting van de sabbat naar de schepping verwijzen. Maar wij ontdekken: 1) het feit, dat God aan Israël Zijn sabbat gaf, maakte de sabbat tot een teken tussen Hem en het volk. “Ik gaf hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen.” Dit feit, dat hun de sabbat was toevertrouwd, werd reeds aangehaald. (11) 2) De sabbat zou een teken zijn tussen God en de Israëlieten, “opdat zij zouden weten, dat ik, de Here, hen heilig”. Als in de Bijbel het woord HERE in hoofdletters wordt geschreven, zoals in bovengenoemde teksten, staat er in het hebreeuws Jehova. De sabbat is dus het teken dat Jehova, d.i. de Oneindige, in zichzelf bestaande God, hen had geheiligd. Heiligen betekent afzonderen, apart zetten, of aanwijzen, bestemmen voor een geheiligd of godsdienstig gebruik. (12) Het is voldoende duidelijk dat het volk Israël op uiterst opmerkelijke wijze was afgezonderd van alle andere mensen. Maar wie had hen op deze wijze van alle andere volken afgezonderd? Als een genadig antwoord op deze belangrijke vraag gaf God aan Israël Zijn eigen geheiligde rustdag. Maar hoe kon het grote gedenkteken van de Schepper een dergelijke vraag beantwoorden? Luister naar de woorden van de Allerhoogste: “Voorwaar mijn sabbatten” d.i. mijn rustdagen “zult gij houden, want dat is een teken tussen Mij en u... Tussen mij en de Israëlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.” De sabbat was als een teken tussen God en Israël een altijddurend getuigenis dat Hij, die hen had afgezonderd van alle mensen als zijn bijzondere schat op aarde, Degene was, die de hemel en de aarde in zes dagen had geschapen en op de zevende dag had gerust. Het was daarom de krachtigste verzekering dat Hij, die hen had geheiligd, inderdaad Jehova was.
God had van de tijd van Abraham af Israël afgezonderd. Hij, die voordien geen plaatselijke, nationale of geslachtsnaam had gedragen, droeg van die tijd af tot aan het eind van zijn verbondsverhouding met het volk Israël namen, die Hem schenen aan te duiden als zijnde hun God alleen. Vanaf het moment dat Hij Abraham en diens geslacht verkoren had, maakte Hij zich bekend als de God van Abraham, Izaäk en Jacob; als de God der Hebreeën en de God van Israël. (13) Hij leidde Israël uit Egypte om hun God te zijn, (14) en bij de Sinaï verbond Hij zich met hen door een plechtige overeenkomst. Op deze wijze zonderde Hij Israël af of heiligde hen voor Zichzelf, omdat alle andere volken zich hadden overgegeven aan afgoderij. Op deze wijze verwaardigde de God van hemel en aarde zich om zich te geven aan één enkel volk, en zonderde Hij dit volk af van alle andere mensen. Hier dient te worden opgemerkt dat niet de sabbat Israël had afgezonderd van alle andere volken, maar dat de afgoderij van alle andere volken voor God aanleiding was geweest om Israël af te zonderen voor Zichzelf. God gaf aan Israël de sabbat, die Hij bij de schepping voor de mens had geheiligd, als het meest nadrukkelijk teken dat Hij, die hen op deze wijze heiligde, werkelijk de levende God was.
Het feit dat God aan de Israëlieten zijn sabbat gaf, maakte deze tot een teken tussen Hem en dat volk. Maar de sabbat ontleende zijn bestaan niet aan het feit, dat deze als zodanig aan de Israëlieten was gegeven; want zij ontvingen de reeds bestaande sabbat des Heren en wij hebben al gezien (15) dat zij daarvoor geen nieuw gebod kregen. Integendeel, de sabbat berustte in die tijd op reeds bestaande verplichtingen. Maar het was Gods voorzienigheid ten gunste van Israël, die hen in de eerste plaats bevrijd had uit een vernederende dienst, en hun vervolgens gedurende zes dagen brood uit de hemel gaf en het voedsel deed overblijven voor de sabbat, dat de sabbat tot een geschenk maakte voor dat volk. En let op de betekenis van de wijze waarop dit geschenk werd gegeven, als om aan te tonen wie hen had geheiligd. De sabbat werd een geschenk voor Israël door de wondere voorziening van het manna, - een wonder dat gedurende veertig jaar van week tot week de sabbat openlijk bekend maakte, waardoor onweerlegbaar werd aangetoond dat Hij, die hen leidde, de sabbat had gemaakt, en dus de Schepper was van hemel en aarde. Dat de sabbat, die voor de mens was gemaakt, op een dergelijke wijze aan Israël werd gegeven, is beslist niet opmerkelijker dan het feit, dat de God der gehele aarde zijn geboden en Zichzelf zou geven aan dat volk. De Allerhoogste, zijn wet en zijn sabbat werden niet Joods; maar Israël werd aangewezen als de geëerde bewaarder van de goddelijke waarheid, en op die manier bleef de kennis van God en van Zijn geboden op aarde bewaard.
De grond waarop dit teken berust, wijst onmiskenbaar naar de ware oorsprong van de sabbat. Deze ontstond niet omdat de mannaregen gedurende zes dagen wel viel en afwezig was op de zevende dag; want het manna werd op deze manier gegeven omdat de sabbat reeds bestond; maar het was “omdat de Here in zes dagen de hemel en de aarde had gemaakt, en op de zevende dag rustte en adem had geschept”. Op deze wijze blijkt dat de sabbat onstond door de rust en de verfrissing van de Schepper, en niet bij de mannaregen. Als INZETTING maakte de sabbat bekend dat de Schepper van hemel en aarde, de Maker ervan was; als teken tussen God en Israël (16) verkondigde de sabbat dat Hij, die hen had afgezonderd, inderdaad Jehova was.
Het laatste wat de Wetgever tijdens dit opmerkelijke onderhoud deed, was het plaatsen van de twee tafelen der getuigenis, stenen tafelen, geschreven met de vinger Gods, in de handen van Mozes. Toen maakte Hij aan Mozes de treurige afval van Israël bekend, en drong er bij hem op aan naar hen toe te gaan. “Toen keerde Mozes zich om en daalde van de berg af met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand, tafelen die aan beide zijden beschreven waren: aan de ene zijde en aan de andere zijde waren zij beschreven. De tafelen waren het werk Gods en het schrift was het schrift Gods, op de tafelen gegrift.... En zodra hij de legerplaats genaderd was, en het kalf en de reidansen zag, ontbrandde de toorn van Mozes; hij wierp de tafelen uit zijn hand en verbrijzelde ze aan de voet van de berg.”
Toen strafte Mozes de afgodendienaars, en op die dag vielen van het volk ongeveer drieduizend man. Mozes keerde naar God terug en bemiddelde ten behoeve van het volk; en God beloofde dat Zijn engel met hen zou gaan, maar dat Hijzelf niet in hun midden zou optrekken, opdat zij niet zouden worden verteerd. (17) Toen smeekte Mozes de Allerhoogste ernstig om Zijn heerlijkheid te mogen zien. Deze bede werd toegestaan, alleen mocht hij niet Gods aangezicht zien. (18) Maar voordat Mozes opklom om de majesteit van de oneindige Wetgever te aanschouwen, zei de Here tot hem: “Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste, dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen, welke gij verbrijzeld hebt... Toen hieuw Mozes twee stenen tafelen gelijk de eerste; hij beklom vroeg in de morgen de berg Sinaï, zoals de Here hem geboden had, en nam de twee stenen tafelen in zijn hand. En de Here daalde neder in een wolk, stelde Zich daar bij hem en riep de naam des Heren uit. De Here ging aan hem voorbij.” (19) Toen Mozes de heerlijkheid des Heren zag, “knielde hij haastig ter aarde en boog zich neder”. Dit onderhoud duurde veertig dagen en veertig nachten, evenals de eerste keer; het schijnt dat Mozes die tijd doorbracht, God smekend het volk niet uit te roeien vanwege hun zonde. Het bericht over deze periode is heel kort, maar in dit bericht wordt de sabbat toch vermeld. “Zes dagen zult gij arbeiden, maar op de zevende dag zult gij rusten; ook in de ploegtijd en in de oogst zult gij de rustdag houden”, (20) waardoor zij werden aangespoord om zelfs in de drukste tijd van het jaar de sabbat des Heren niet te vergeten.
Deze tweede periode van veertig dagen eindigt net als de eerste met het feit, dat God de stenen tafelen in de handen van Mozes geeft. “En hij was daar bij de Here veertig dagen en veertig nachten, brood at hij niet en water dronk hij niet, en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de Tien Woorden.” (21) Hieruit blijkt dat de tafelen der getuigenis de twee stenen tafelen waren, met daarop de tien geboden, geschreven met de vinger van God, wat bewijst dat het getuigenis Gods in waarheid de wet der tien geboden is. Het handschrift op de tweede tafelen was precies hetzelfde als het eerste. “Houw u twee stenen tafelen,” had God gezegd, “gelijk de eerste, dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen, welke gij verbrijzeld hebt.” En Mozes zegt van de eerste tafelen: “Hij maakte u het verbond bekend, dat Hij u gebood te houden, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen.” (22) Op deze wijze vertrouwde God aan zijn volk de tien geboden toe. Hij maakte ze persoonlijk bekend; zonder tussenkomst van mensen of engelen, zonder te vertrouwen op zijn hoog geëerde dienstknecht Mozes, noch op de engel van voor zijn aangezicht, schreef Hij ze met eigen hand. “Gedenk de sabbatdag, dat gij dien heiligt”, luidt één van de tien geboden, dat aldus door de Allerhoogste is geëerd. Dit zijn niet de enige twee eerbewijzen, aan dat gebod verbonden. Hoewel het dit gemeen heeft met de andere negen geboden, treedt dit gebod speciaal naar voren, omdat het door het VOORBEELD van de grote Wetgever zelf is bevestigd. Deze geboden werden op twee tafelen geschreven met een duidelijke heenwijzing naar de tweeledigheid van Gods wet; God liefhebben boven alles, en onze naaste als onszelf. Het sabbatsgebod aan het einde van de eerste tafel vormt de gouden schakel die beide delen van de zedenwet met elkaar verbindt. Dit gebod beschermt en bekrachtigt de dag waarop God aanspraak maakt als zijnde Zijn dag; het volgt de mens gedurende de zes dagen, die hij van God kreeg om op de juiste manier te worden besteed in de verschillende fasen van het leven, dat zich over heel het menselijk leven uitstrekt, en het omvat in zijn schenking van zes dagen aan de mens alle verplichtingen van de tweede tafel, hoewel het behoort tot de eerste tafel.
Het feit dat deze tien geboden een compleet geheel met de zedenwet vormen, blijkt uit de woorden van de Wetgever, toen Hij Mozes tot Zich riep om ze in ontvangst te nemen. “Klim op tot Mij, de berg op, en blijf daar, dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en het gebod, die Ik opgeschreven heb.” (23) Deze wet en het gebod waren Gods getuigenis, op steen gegrift. Hetzelfde belangrijke feit wordt door Mozes naar voren gebracht als hij de zegen uitspreekt over Israël: “En hij zeide: De Here is gekomen van Sinaï en over hen opgegaan uit Seïr; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur.” (24) Deze woorden laten geen twijfel bestaan over het feit, dat de Allerhoogste wordt voorgesteld als persoonlijk aanwezig zijnde met tienduizenden engelen. En nu voltooit de man van God het aan hem toevertrouwde heilig pand. Hij herhaalt nog eens wat God gedaan heeft toen Hij aan hem zijn wet toevertrouwde, en wat hijzelf had gedaan met deze wet: “En Hij schreef op de tafelen met hetzelfde schrift als de eerste maal, de Tien Woorden, die de Here op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur op de dag der samenkomst; en de Here gaf ze mij. Toen keerde ik mij om en daalde de berg af, en ik legde de tafelen in de ark, die ik gemaakt had; en zij bleven daar, zoals de Here mij geboden had.” Op deze wijze werd Gods wet in de ark geplaatst onder het verzoendeksel. (25) De bovenkant van de ark werd het verzoendeksel genoemd, omdat allen, die de wet in de ark onder het verzoendeksel hadden verbroken, vergeving konden vinden door het sprengen van het zoenbloed op dit verzoendeksel.
De wet binnen in de ark eist verzoening; de ceremoniële wet, die het levitisch priesterschap en de zondoffers regelde, onderwees de mensen hoe verzoening tot stand kon komen. De verbroken wet lag onder het verzoendeksel, het bloed van het zondoffer werd op dat deksel gesprengd, en de boetvaardige zondaar kreeg vergiffenis. Er was daadwerkelijke zonde, en dus een werkelijke wet die de mens had overtreden; maar er was geen werkelijke verzoening, en vandaar de behoefte aan het grote Antitype waar de levitische offeranden naar verwezen. Als de ware verzoening plaatsvindt, moet die te maken hebben met die wet, waarvoor zinnebeeldig verzoening was gedaan. Anders gezegd, de zinnebeeldige verzoening met betrekking tot de wet, die opgesloten lag in de ark, gaf te kennen dat een echte verzoening door die wet werd geëist. Het is noodzakelijk dat de wet die verzoening eist, opdat de overtreder in leven zou kunnen blijven, zelf volmaakt moet zijn; anders zou de schuld, tenminste gedeeltelijk, liggen bij de Wetgever, en niet uitsluitend bij de zondaar. Om die reden neemt de verzoening, als die plaats heeft, niet de verbroken wet weg, want die wet is volmaakt, maar ze is uitsluitend bedoeld om de schuld van de overtreder weg te nemen. (26) Laten wij daarom bedenken dat het vierde gebod één van de tien geboden van Gods verbroken wet is, één van de onveranderlijke, heilige beginselen die de dood van Gods enige Zoon noodzakelijk maakte alvorens de schuldige mens vergiffenis kon ontvangen. Met deze feiten in gedachten zal het ons niet vreemd voorkomen dat de Wetgever de verkondiging van een dergelijke wet persoonlijk op Zich genomen heeft; en dat Hij het opschrijven van die wet, die als verzoening de dood van de Zoon van God zou eisen, aan geen geschapen wezen heeft toevertrouwd.
|
