|
Kies dan heden wie gij dienen zult. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen. Jozua 24:15 |
|
In den beginne |
|
Tijd en eeuwigheid - De Schepper en Zijn werk - Gebeurtenissen op de eerste dag - De tweede, derde, vierde, vijfde en zesde dag.
In relatie tot “eeuwigheid” kan “tijd” worden omschreven als dat deel van de tijd, dat door de Bijbel wordt afgemeten. Van de vroegste datum in het boek Genesis tot de opstanding van de onrechtvaardigen aan het (1) eind van de duizend jaar geeft de Bijbel een periode aan van ongeveer zevenduizend jaar. Voor het begin van deze grote periode was er een tijdsduur zonder begin; en na het verstrijken van deze periode begint een eindeloze tijdsduur voor het volk van God. Het woord “eeuwigheid” betekent: tijdsduur zonder begin en zonder einde; en Hij die van eeuwigheid af bestaat, heeft alleen onsterfelijkheid; Hij is de eeuwige, onsterfelijke, onzichtbare Koning der eeuwigheid, de enig wijze God. (2) Toen het dit oneindige Wezen behaagde, riep Hij deze aarde in het aanzijn. God schiep alle dingen uit het niets (3); “zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare”. Deze scheppingsdaad kenmerkt het begin van de eerste week. Hoewel Hij het hele werk tot stand had kunnen brengen met één enkel woord, verkoos Hij om er zes dagen voor te gebruiken, en de resultaten door elkaar opvolgende stappen tot stand te brengen. Laten wij de voetsporen van de Schepper nagaan vanaf de tijd, dat Hij de grondslag van de aarde heeft gelegd tot aan het einde van de zesde dag, toen de hemel en de aarde voltooid waren, “en God zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed”. (4)
Op de eerste dag schiep God de hemel en de aarde. De aarde, die op deze wijze ontstond, was woest en ledig; en algehele duisternis bedekte het werk van de Schepper. “En God zeide: Er zij licht; en er was licht.” “En God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis, en noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht.” (5) Op de tweede dag zeide God: “Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren.” Het droge land was nog niet zichtbaar; als gevolg daarvan was de aarde bedekt met water. Omdat er nog geen dampkring was, hing een dichte damp boven de wateren. Maar de dampkring die nu door het woord van de Schepper ontstond, bracht die elementen samen die de lucht vormen die wij inademen, en de nevel en waterdamp die boven de wateren hing, werd door de dampkring opgeheven. Deze dampkring, of atmosfeer, wordt de hemel genoemd. (6) Op de derde dag bracht God de wateren bijeen en deed het droge land tevoorschijn komen. De samengebrachte wateren noemde God zeeën; het droge land dat aan de wateren was ontrukt, noemde Hij land. En God zei: “Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vruchten dragen, welke zaad bevatten op de aarde; en het was alzo.” “En God zag dat het goed was.” (7) Op de vierde dag zei God: “Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren.” “En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren.” Het licht was op de eerste dag geschapen; en nu doet Hij op de vierde dag zon en maan tevoorschijn komen als lichtdragers, en doet ze heersen over het licht. Dat doen ze tot op vandaag, zoals Hij geboden heeft, want zij alle dienen Hem. Dit gebeurde op de vierde dag. En de grote Architect, die overzag wat Hij tot stand had gebracht, noemde het goed. (8)
Op de vijfde dag “schiep God de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens, waarvan de wateren wemelen, naar hun aard, en allerlei gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag dat het goed was”. (9) Op de zesde dag “maakte God het wild gedierte naar zijn aard, en het vee naar zijn aard en alles wat op de aardbodem kruipt naar zijn aard. En God zag dat het goed was”. Op deze wijze werd de aarde, nadat ze geschikt gemaakt was voor dat doel, vervuld met allerlei levende wezens, terwijl de lucht en de wateren eveneens wemelden van dierenleven. Om dit prachtige scheppingswerk te voltooien, zorgde God vervolgens voor een heerser, als vertegenwoordiger van Hemzelf, en maakte alles aan hem ondergeschikt. “En God zeide: Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt.” “De Here God formeerde de mens van het stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen. Voorts plantte de Here God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens die Hij geformeerd had. Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad.” Als sluitstuk schiep God Eva, de moeder van alle levenden. Het werk van de Schepper was nu compleet. “Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heir.” “En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.” Adam en Eva waren in het paradijs; de boom des levens groeide op de aarde en er was geen dood, want er was geen zonde daar deze haar entree in onze wereld nog niet had gedaan. “De morgensterren juichten tezamen en alle zonen Gods jubelden.” Op deze wijze eindigde de zesde dag. (10)
|
